'Alle wezens zullen sterven, want het leven eindigt in de dood'

 ‘Evam me sutam’, aldus heb ik gehoord.

 

Deze woorden werden uitgesproken door Ananda, de neef en persoonlijke verzorger van de Boeddha. Volgens de traditie had hij een uitzonderlijk geheugen en reciteerde hij, tijdens het eerste concilie dat vlak na de dood van de Boeddha werd gehouden, alle leerredes.

Evam me sutam is dan ook, traditiegetrouw, de aanhef van elke sutta in de Pali-Canon.

Ayyika-Sutta SN 3.22 (1)

De eerste edele waarheid duidt dood, samen met geboorte, ziekte en veroudering aan als manifestaties van dukkha, (lijden, wrevel, ontevredenheid).

De tweede edele waarheid identificeert als verantwoordelijk voor het opkomen van dukkha, vooral verlangen, begeerte en gehechtheid. Hoe sterker dus de gehechtheid aan het leven, hoe groter de angst voor ons sterven zal zijn. De mate van angst voor de (eigen) dood kan dus gezien worden als maatstaf voor onze gehechtheid aan het leven.

De derde edele waarheid, handelend over het ophouden van dukkha, geeft een mogelijke manier om vrij te worden van angst voor de dood, namelijk door het loslaten van begeerte en gehechtheid.

De vierde edele waarheid omschrijft vervolgens een pad in acht stappen. Deze praktische weg combineert een grondslag van moreel gedrag met een systematische training van de geest door meditatie (jhana).

Het overlijden van een dierbare kan leiden tot het ontstaan van dukkha. In het Ayyika-Sutta treurt koning Pasenadi om de dood van zijn grootmoeder.

Eens verbleef de Verhevene in Savatthi. Daar kwam koning Pasenadi van Kosali hem opzoeken. Toen deze ter zijde zat sprak de Verhevene volgende woorden tot hem:

“Welnu, majesteit, waar komt u zo midden op de dag vandaan?”

“Mijn oma, Heer, is gestorven. Ze was versleten, op jaren, ze had de eerbiedwaardige leeftijd van honderd en twintig jaar bereikt.

Mijn oma, Heer, was mij lief en dierbaar. Indien ik door middel van mijn edelste olifant had kunnen bereiken dat mijn oma niet zou sterven, dan zou ik hem weggegeven hebben. Indien ik door middel van mijn edelste paard had kunnen bereiken dat mijn oma niet zou sterven, dan zou ik het weggegeven hebben. Indien ik door middel van mijn beste dorp had kunnen bereiken dat mijn oma niet zou sterven, dan zou ik het weggegeven hebben. En indien ik door middel van mijn land had kunnen bereiken dat mijn oma niet zou sterven, dan zou ik mijn land weggegeven hebben.”

Hierop antwoordt de Verhevene:

“Alle wezens, majesteit, zijn onderworpen aan de dood, eindigen met de dood, kunnen aan de dood niet ontsnappen. Het is te vergelijken met de schalen van een pottenbakker. Ze zijn allemaal gedoemd te breken, daar kunnen ze niet aan ontsnappen, of ze nu gebakken of ongebakken zijn. Evenzo zijn alle wezens onderworpen aan de dood, kunnen aan de dood niet ontsnappen.”

Alle wezens zullen sterven,
want het leven eindigt in de dood.
Volgens hun karma zullen ze heengaan,
plukkend de vruchten van het goede en slechte.
De boosdoeners gaan naar de hel;
die goed doen naar een goede bestemming.

Daarom moet men het goede doen
als rijke bron voor het hiernamaals.
Verdiensten zijn voor de levende wezens
een basis in de andere wereld.

(sutta ingekort)

Bovenstaande sutta benadrukt de dood als onvermijdelijk. Alhoewel dit door iedereen geweten is, is dit bij het overlijden van een dierbare soms moeilijk om te aanvaarden. De grootmoeder van koning Pasenadi was op leeftijd, honderd en twintig jaar oud; haar dood was dus niet geheel onverwacht en toch is de droefheid bij de koning zo groot dat hij er alles, zelfs zijn koninkrijk, voor over heeft om haar terug te hebben. De Verhevene wijst er echter op dat alle wezens moeten sterven en vergelijkt dit met de schalen van een pottenbakker, vroeg of laat, gebakken of zelfs nog ongebakken zullen ze stuk gaan.

Een gelijkaardig gesprek tussen de Boeddha en koning Pasenadi vinden we terug in het Jaramarana-Sutta (SN 3.3):

… Terzijde gezeten sprak koning Pasenadi van Kosala tot de Verhevene: “Heer, is er voor iemand die geboren is, iets anders weggelegd dan veroudering en dood?”

“Nee, majesteit, er is niets anders weggelegd dan veroudering en dood. Majesteit, ook de edellieden, brahmanen en burgers, welvarend, in het bezit van veel goud en zilver, van veel kostbaarheden en graan; ook voor hen is er, daar ze geboren zijn, niets anders weggelegd dan veroudering en dood.

Majesteit, ook de monniken en heiligen [arahat], die het heilige leven geleefd hebben, die gedaan hebben wat gedaan moest worden, die de last hebben neergelegd, die het hoge doel bereikt hebben, die bevrijd zijn door volmaakt inzicht, ook voor hen is dit lichaam gedoemd tot ondergang, gedoemd om afgeworpen te worden.”

(sutta ingekort)

De onderliggende boodschap in beide suttas is de noodzaak om onze sterfelijkheid, in plaats van het te beschouwen als een theoretisch gegeven dat zich in een verre toekomst situeert, tot een deel van onze dagelijkse beleving te maken.

De onzekerheid over het tijdstip van overlijden noodzaakt ons deze mogelijkheid voortdurend te beseffen. Zo vraagt de Verhevene in de Maranassati-sutta (AN 6.19) aan zijn monniken hoe zij ‘aandacht voor de dood’ ontwikkelen. Een eerste monnik zegt: “Oh, als ik slechts een dag en een nacht zou te leven hebben, dat ik dan aandacht mag schenken aan de instructies [over de vergankelijkheid van het lichaam] van de Gezegende, dan zou ik een grote taak volbracht hebben.” Maar de Boeddha wijst deze praktijk als ‘nalatig’ van de hand. Vervolgens geven ook andere monniken hun visie. Maar steeds wijst de Verhevene hun praktijk af als zijnde nalatig. Tenslotte zegt een monnik dat, als hij slechts de tijd van één ademhaling te leven zou hebben, hij deze korte periode aan het beschouwen van de dood zou besteden. Dit noemt de Boeddha oplettendheid. Voortdurend bij elke in- en uitademing (want elke ademhaling kan je laatste zijn) aandacht voor de dood beoefenen. Want meer is er niet. Je ademt in en je ademt uit en op een keer volgt er na de uitademing geen inademing meer. Dat is het verschil tussen jouw leven en de dood: slecht één ademhaling.

Het was juist de onvermijdelijkheid van de dood wat de Boeddha motiveerde om op zoek te gaan naar ontwaken, naar het doodloze:

[de Verhevene, toen hij nog een Bodhisattva was:]

“Doorsneemensen onderworpen aan ziekte,
onderworpen aan ouder worden
en onderworpen aan de dood walgen
[van anderen] terwijl ze zelf net zo zijn.

Als ik walging zou voelen voor
levende wezens van dien aard,
dan zou mij dat niet passen,
daar ik van dezelfde natuur ben.

Terwijl ik in deze gedachten verwijlde
en de bezitloze toestand leerde kennen,
overwon ik alle vormen van roes;
de roes van gezondheid, de roes van jeugd
en de roes van het leven;
rust ziende in onthechting”. (AN 3.39)

Voorafgaande aan de dood is er meestal een periode van ziekte. Meditatie hierop is dus zinvol.

In de Girimananda-Sutta (AN 10.60) bezoekt Ananda de ernstig zieke monnik Girimananda. Ananda geeft hem een aantal meditatieonderwerpen ter overweging. Naast vergankelijkheid, het niet-zelf, loslaten en aandacht bij de ademhaling is er ook de beschouwing van ‘het nadeel’, ook wel ‘gevaar’ of ‘hindering’ genoemd. Dit omvat een hele reeks ziekten waar het lichaam vroeg of laat aan onderhevig is. Verschillende van deze ziekten zijn levensbedreigend waardoor de overweging hierop ook de beschouwing van de dood omvat.

Het besef van de kwetsbaarheid van het lichaam helpt om de gehechtheid eraan te verminderen of in het beste geval te vernietigen. De opstandigheid bij ziek worden kan de uit onwetendheid voortkomende veronderstelling zijn dat gezondheid een basisrecht is voor ons lichaam, dat we recht hebben op een gezond lichaam. Regelmatige overweging van de kwetsbaarheid van ons lichaam maakt duidelijk dat continue gezondheid een illusie is. Alles welbeschouwd is het verbazend dat we niet meer of ernstiger ziek zijn. Het besef dat het volkomen natuurlijk is dat we ziek worden kan de stress bij ziekte merkelijk doen verminderen. De overweging dat ons lichaam kwetsbaar en van nature onderhevig is aan pijn en ziekte is het vertrekpunt voor de contemplatie op de dood.(2)

De gedachte aan onze sterfelijkheid moet bewust een plaats krijgen in onze meditatiepraktijk. Het overwegen van de eigen dood kan bijvoorbeeld gebeuren door tegen jezelf te zeggen: “Ik ga dood, ik ga dood, daar kan niemand wat aan veranderen.” Of je kan heel eenvoudig volgend vers uit de Dhammapada overdenken: “Dit lichaam valt uiteen, want leven eindigt met de dood.”(Dhp vers 148)

De Tibetaanse lama Dilgo Khyentse Rinpoche, bijvoorbeeld, was zich te allen tijde zeer goed bewust van vergankelijkheid en dood. Hij zei dan ook altijd als mensen hem uitnodigden of hem verzochten nog eens langs te komen: “Als ik dan nog leef, dan kom ik.”

Hij eindigde zijn laatste voordracht dan ook met de les over vergankelijkheid:

“Vergeet nooit hoe snel dit leven zal eindigen; als een bliksemschicht in zomers onweer, als het wuiven van een hand. Jullie hebben de mogelijkheid de Dharma te beoefenen. Verlies geen tijd aan andere dingen, verspil geen moment. Doe je uiterste best.”(3)

Een andere Tibetaanse meester, Kalu Rinpoche formuleert het als volgt: “Voordat we het weten loopt ons leven ten einde en is het tijd om te sterven. Als we het fundament van een stabiele beoefening ontberen, gaan we de dood met een gevoel van hopeloosheid, angst en pijn tegemoet.”(3)

door ANDRÉ BAETS in het Boeddhistisch Dagblad
1.Tenzij anders vermeld komen alle citaten van de Pali-Canon uit de vertalingen van Jan de Breet & Rob Janssen, uitgegeven bij Bodhi.
2.”Mindfully facing disease and death” Bhikkhu Analayo Windhorse Publications 2016.
3.”Waardig heengaan” Sushila Blackman uitgeverij Servire 1998.